VIER GENERATIES WIEGMAN IN DE BOOMSTRAAT
De familie Wiegman is verhuisd van het eiland Wieringen naar Terschelling. Op Wieringen woonden veel doopsgezinden die daarheen waren gevlucht wegens vervolging. Ze hadden daar geen kerken maar hielden hun diensten in huizen z.g. schuilkerken. Omstreeks 1850 is de eerste, Albert Wiegman, naar Terschelling verhuisd en op het eiland getrouwd met Antje Knop. De familie woont al vijf generaties op Terschelling.
Albert Wiegman (1879 –1963), ondernemer, was eerst palingvisser op de TS 14, was socialist en dus extra begaan met de Terschellinger gemeenschap. Hij had in die tijd een kruidenierszaak op West-Terschelling: ”De Sperwer” in de Boomstraat op de plek waar nu de Spar is gevestigd. Er was in die tijd veel schrijnende armoede onder de eilander bevolking. Albert hielp zijn klanten uit de nood bij de aankoop van voedsel. Je kon bij hem boodschappen laten opschrijven terwijl Albert van te voren wist dat ze het toch niet terug konden betalen. De ‘Sperwer’ was dus niet alleen een winkel waar de mensen voor hun belangrijke boodschappen terecht konden, maar ook een soort Bank van lening.
Albert was zeer betrokken bij de totstandkoming van een staatspensioen voor ouderen, later bekend als ‘Drees’. Hij was actief als voorzitter van de VVV, de ijsclub, muziekvereniging, al kon hij geen noten lezen en kon ook geen enkel instrument bespelen. De kermissen in de molenstraat en later de Brandariswandeltochten werden mede door hem georganiseerd. Een soort ‘Oerol avant la lettre’ met levende stoelendans op het Brandaris-plein, met na afloop dansen op de straatstenen. Dat kon toen allemaal.
Zijn zoon Douwe Wiegman (1916 – 1986) verzorgde er de muziek bij met grammofoonplaatjes.
Ook had Albert een handeltje in kokkels met de Engelsen. Er werkten diverse Terschellingers voor hem die hij elke week uitbetaalde, maar zelf moest hij wachten op geld uit Engeland.
De kokkels haalde hij van het wad, hij verkocht ze en ving er Engelse ponden voor terug. Lang plezier heeft hij er niet van gehad: Door de economische crisis van 1930 waren Engelse bankbiljetten van de ene op de andere dag geen cent meer waard en was hij op dat moment failliet. Ze hebben het slaapkamertje van zoon Douwe er maar mee behangen. Dat was goedkoper dan gewoon behang… .
Op latere leeftijd heeft Albert ook nog een boek geschreven, hij had een fotografisch geheugen wat makkelijk was bij het ophalen van herinneringen. Hij vertelde over alle schepen die in de loop der geschiedenis op Terschelling zijn gestrand. Net voordat hij het manuscript wilde laten uitgeven, viel hij van het dak. Dat overleefde hij niet. Het manuscript is bewaard gebleven en ligt nog compleet in dozen.
Nog een laatste anekdote over deze markante eilander: Restaurant “Flaman” van zijn achterkleinkind Celina zou hedentendage een slechte klant aan hem hebben: Van de smakelijke visgerechten die nu op de kaart staan, zou hij nooit gebruik hebben gemaakt. Viseten stond voor armoede. Als hij al een visje at, dan was dat niet in een restaurant. Het moest ook nog ‘levende’ vis zijn. Dat wil zeggen: vis die hij voor het bakken nog levend in handen had gehad. “Dooie vis eet ik niet”, schol al helemaal niet want die hadden roestige stippen. Dat deugde hoedanook niet, wel een schar of een vette bot van de Grië of onder Griend vandaan.
Douwe Wiegman, de zoon van Albert, heeft de Tweede Wereldoorlog (1940-1945) heel bewust meegemaakt. Terschelling was bezet door Duitse militairen, die alle fietsen, motorfietsen en auto’s van de eilanders in beslag namen. Behalve de motorfiets van Douwe. Die had zijn motor mooi optijd gedemonteerd, de onderdelen in het vet gezet, in jute zakken gebonden en in het kippenhok onder de eieren begraven. Daar kraaide er geen Duitse haan naar. Één dag na het einde van de oorlog zat de motor alweer inelkaar en Douwe was de enige eilander met een eigen motorfiets.
Hij was een man met gouden handen, met groot technisch inzicht. Hij heeft de tijd niet mee gehad, zoals zo velen. Na de zeevaartschool heeft hij zijn V.D. gehaald maar heeft met het uitbreken van de oorlog nooit gevaren. Hij heeft wel in en na de oorlog gestudeerd bij PBNA en heeft zijn ingenieursdiploma gas en waterfitter gehaald. Hij moest het echter doen met een baantje bij de plaatselijke gasfabriek “De Vooruitgang”. Daar heeft hij meer dan vijftien jaar gewerkt. Het was een barre tijd. Daarna heeft hij bij Bornholm gewerkt, in een dienstwoning gewoond, en na ontslag door de rechter in Leeuwarden met zijn vrouw en vier kinderen op straat gezet. Commentaar van de rechter: ”Het is niet zo erg want de toeristen sliepen ook in een tent”. Daarna kraakte hij een woning. Dat was in de Boomstraat nr 5. Zijn vrouw Nel van der Kooy en hij maakten samen een pension van dit huis. Vanaf 1957 was er een “Pension Wiegman”. Het pand hadden zij inmiddels voor fl. 7000, - van de kerk kunnen kopen.
Het eilander toerisme kwam aarzelend op gang en zo raakte Douwe langzamerhand in de Horeca terecht. Maar zijn grote passie bleef toch de techniek, hij maakte alles zelf. Een elektrische decoupeerzaag bijvoorbeeld. Zoiets was toen nog niet te koop. Geen probleem. Hij schroefde een Singer-naaimachine tegen de onderkant van een werkblad, de op-en-neer gaande naald kwam er aan de bovenkant doorheen. Die naald werd vervangen door een zaagje, de naaimachine werd door een elektromotor aangedreven. Simpel, maar je moet er maar opkomen.
Inmiddels legendarisch is zijn Platenspeler Met Versterker, die hij kort na de oorlog bouwde met onderdelen van de radio- en zendapparatuur die de Duitse bezetters in de bunkers van het Seinpaalduin hadden achtergelaten.
Het werd een aluminium kast vol met geheimzinnig gloeiende radiobuizen, een regelpaneel met bakelieten knoppen, er bovenop de Pick-up, zoals die toen werd genoemd: een draaitafel die 78-toerenplaten kon draaien. Hij had er ook een metershoge luidsprekerbox bij, waarin één speaker van indrukwekkend formaat gemonteerd was. Zo’n mooi geluid hadden ze nog nooit gehoord.
Vanaf de jaren ’47 ’verzorgde’ Douwe de dansavonden met deze apparatuur. Je kunt hem gerust de eerste diskjockey van Nederland noemen. Hij begon met zeven grammofoonplaten, die vrienden van de zeevaartschool voor hem meebrachten uit Amerika. Er werd gedanst op de betonnen restanten van het voormalige, door de Duitsers gesloopte hotel Rijf, aan het strand Midsland aan zee.
In de jaren vijftig en zestig draaide hij zijn plaatjes voor badgasten en eilanders in de strandtent van Rijf, bij de duinovergang van Midsland. De machine kon inmiddels ook 45-toerenplaatjes afspelen.
Douwe bleef sleutelen. Bij wisseling van het toerental moest eerst even de naald van het Ronette-element even worden verwisseld. Douwe nam daar, bedaard aan z’n sigaar trekkend, de tijd voor.
De dansparen bleven ondertussen geduldig op de dansvloer staan tot er weer muziek kwam.
Zo heeft Douwe tot aan z’n dood in 1986 toe ‘plaatjes gedraaid’. Op het laatst in zijn eigen restaurant
“De Moustache” naast cafetaria “Wigwam” dat hij inmiddels ook zijn eigendom kon noemen.
De platenverzameling die hij als diskjockey vanaf de Tweede Wereldoorlog opbouwde, bestond uit alle denkbare tophits van die jaren. Die platen zijn niet verloren gegaan en ook de platenspeler
is nog steeds te bewonderen.
Dansen op de “Gouwe Ouwe Van Ome Douwe” (elke zaterdagavond) is nog altijd een begrip
op Terschelling. Zijn zoon, jonge Douwe, zet deze traditie af en toe nog wel eens voort.
Douwe en Nel hebben hun hele leven eigenlijk alleen maar hard gewerkt en zo hadden ze iets opgebouwd voor hun kinderen Albert, Hessel, Douwe en Mieneke. Die zijn alle vier doorgegaan met wat hun ouders waren begonnen: Albert en zijn vrouw Ally met restaurant “Zeezicht”, Hessel en zijn vrouw Nel met de “Wigwam”, Douwe en Ina met de “Moustache”, en Mieneke met eethuisje “Donell”. Op “Zeezicht” na allemaal in de Boomstraat. De familie Wiegman woonde en woont in de Boomstraat op de nummers 1 - 5 - 9 - 11 – 33 – 35 – 37 en 39.
In 1986 kochten Douwe en Ina Hotel “Lutine” erbij. Aan de andere kant van de Boomstraat 1,
direct onder de vuurtoren Brandaris. Dit voormalige notarispand werd verbouwd tot restaurant “Flaman”.
Daar heeft sinds 2002 Celina Wiegman de touwtjes (en de menusamenstelling) in handen.
Celina is de dochter van Douwe en Ina. De vierde generatie alweer.
Dat maak je op Terschelling niet zo vaak meer mee.




